Young professional
versus ervaren
verloskundige

BEVINDINGEN VAN NIEUWE LICHTING STUDENTEN IN HET WERKVELD EN HUN COLLEGA’S


Tekst: Mart Bakker


Deze zomer studeerde de eerste lichting studenten van het vernieuwde curriculum af bij AVAG. In dit curriculum - gestart in 2014 - is meer aandacht voor wetenschap dan in eerdere onderwijsprogramma’s. Fysiologie en pathologie worden in samenhang aangeboden en de stages zijn anders verdeeld. Ook de toetsvormen zijn gewijzigd. Daarnaast zijn studenten in het vierde jaar vooral buitenschools actief met hun minor en hun stage. Welk effect hebben deze veranderingen in het onderwijs op de pas afgestudeerde verloskundigen en wat merken hun collega’s hiervan?

Esmée van Oenen, Monique Wijsman (Verloskunde Academie Amsterdam) en Lieke Velner (Verloskunde Academie Groningen) vertellen over hun ervaringen als kersverse verloskundigen in de praktijk. Zij werken sinds een half jaar. Aan het woord komen ook hun collega’s Marijke Leijser (praktijk Viandenstraat Amersfoort) en Joske Huitema (praktijk Dora in Hengelo).

EERSTE INDRUKKEN EN ERVARINGEN

De pas afgestudeerden doen hun eerste waarneming op de plek waar ze ook hun eindstage liepen. Alle drie de dames zijn enthousiast en ervaren de eerste maanden als goed. Esmée draait soms meer dan 24 uur dienst en werkt soms zes dagen in de week. Ze voelt zich daar heel goed bij.

Lieke: “Werken als verloskundige vind ik relaxter dan tijdens mijn stageperiode, omdat het na de dienst ook klaar is. Er is meer rust.”

Op de vraag waar ze het meeste lol in hebben, noemen ze alle drie iets anders. De tevredenheid en de blijheid van de cliënten, vooral bij de baring. En het contact met de cliënten. Juist de lastige casussen, het uitpuzzelen en ook het rustmoment bij de uitdrijving.

GELIJKWAARDIGHEUID PAS-AFGESTUDEERDEN

De nieuwkomers op de markt draaien spreekuur en diensten, maar wonen bijvoorbeeld geen VSV’s bij en doen niet de overstijgende gesprekken met andere zorgverleners. Ook taken rond praktijkvoering doen ze als waarnemend verloskundige niet. Soms doen ze iets (nog) niet omdat ze nog niet de extra expertise en ­vaardigheid hebben opgedaan: een echo maken of een spiraaltje zetten. Esmée volgt nu de echo-opleiding en Lieke gaat daarmee starten. Monique doet aan Centering Pregnancy, nadat ze daarvoor een training heeft gevolgd

JOSKE:

Oude rot, maar wel met meebewegen
met wat er allemaal speelt, met nieuwe ontwikkelingen.

LIEKE:

Young professional, want fris,

energiek. Kneedbaar, kwetsbaar

maar ook sterk en nuttig.

ESMÉE:

Young professional, net wat frissere blik, ontvankelijker voor andere inzichten. Ik merk dat ik als vanzelfsprekend reflecteer. Wat ging er goed, wat kan beter.

MARIJKE:

Een mix van beiden is voor een praktijk het mooist. Maar als ik iemand moest aannemen, dan zou ik nu een young professional kiezen. Fris, ander blikveld. Ik vind het wel van belang dat de praktisch opgeleide verloskundige blijft en dat niet de wetenschappelijkheid de boventoon gaat voeren.

MONIQUE:

Moeilijk kiezen; de young professional en de oude rot vullen elkaar aan. Mijn keuze zal altijd zijn voor de verloskundige wiens visie mij het meeste aanspreekt, onafhankelijk van de ervaring die zij heeft.

“Ik ervaar dat de pas afgestudeerden eerder weten-schappelijke onderbouwing
zoeken bij beleid.”

AANDACHT VOOR NIEUWE COLLEGA'S

Als de pas afgestudeerden hulp, ondersteuning of een advies willen, moeten ze zelf aan de bel trekken. Er is in de drukke praktijk niet veel tijd om stil te staan bij het gegeven dat ze nieuw zijn in het vak. Maar informeel wordt er altijd ruimte gemaakt als daaraan behoefte is. “Tijdens de opleiding word je steeds beoordeeld en wordt er geëvalueerd”, vertelt Lieke. ”Nu is dat helemaal niet meer zo. Die overgang is groot; vooral in het begin had ik nog behoefte aan controle.” Esmee ervaart ruimte om zelf ervaringen in te brengen en voelt zich serieus genomen: “Er is om de week werkoverleg en als ik wat wil bespreken, wordt er tijd gemaakt. Ik word niet gecontroleerd op wat ik doe en dat is prettig.”

GOEDE VOORBEREIDING IN DE OPLEIDING

Lieke, Esmée en Monique vinden dat ze voldoende zijn opgeleid voor het vak, maar dat ze de begeleiding van de postnatale periode vooral leren in de praktijk. Esmée: “Ik merk dat ik qua communicatie naar de cliënt goed ben opgeleid en om kan gaan met lastige situaties. Ik voel me sterker daardoor. En iedere bevalling leer ik weer.” Voor Monique geldt dat laatste vooral. “Het aantal baringen tijdens de opleiding bepaalt sterk het startniveau op nataal gebied.“


Joske: “Lieke is goed in het gebruikmaken van parate kennis, de Latijnse namen, de inhoud van de protocollen. Wij gaan daar wat losser mee om, waarschijnlijk omdat we al wat meer ervaring hebben. Ook merken we dat ze zich heel goed voorbereidt en zeer goede communicatie-skills heeft, mogelijk door haar persoon, maar ook goed gevoed door de opleiding.” Ze merkt wel dat er tijdens de stages veel opdrachten gedaan moeten worden, waardoor de studenten zich niet helemaal lijken te kunnen focussen in de eindstage. “Mogelijk heeft Lieke bij aanvang van het werk wel meer kennis, maar de ommezwaai van hoofd (opleiding) naar praktijk wordt eigenlijk pas gemaakt in de eerste werkwerken.”


Marijke: “Mijn pas-afgestudeerde collega’s pakken sneller de tablet erbij om de laatste protocollen en standaarden op te zoeken. Bijvoorbeeld als het gaat om langdurig gebroken vliezen. Tijdens mijn studie kregen we veel kennis pasklaar aangeboden. Nu zoeken studenten veel makkelijker zelf de up-to-date informatie op en wachten niet tot ze die aangeboden krijgen. Wij werken meer op basis van ”ik weet wel hoe het zit”. Ze is positief over de inbreng van de nieuwe collega’s. “Dat opzoeken zouden wij misschien ook wat vaker moeten doen. Het is goed om te horen en te zien dat er andere werkwijzen zijn.“

EN DE WETENSCHAP

Lieke: “Ik werk natuurlijk wel volgens standaarden en richtlijnen. En de praktijk doet dat ook. Andere praktijken doen dat soms nog meer, maar ik ben toch geneigd om me aan te passen aan de praktijk en over te nemen zoals ze het hier doen. Misschien wil ik meer aandacht besteden aan onderzoek doen, als ik wat ervarener ben.”


Esmée: “Ik ben in de eindstage al naar deze praktijk toegegroeid. Ik breng wetenschap in en ze zijn wel geïnteresseerd, maar op praktijkniveau gebeurt er nog niet veel mee. Ik gebruik het wel voor mijn eigen werk. In de randstad werken we meer up-to-date. In de regio wordt er wat minder met evidence gewerkt.”


Monique: “Ik merk dat ik soms dingen heb meegenomen uit de opleiding die anders zijn dan hoe het in de praktijk is. Met collega’s kunnen we dit goed bespreken als ik dat inbreng. Als nieuweling heb je toch een kritische blik. Je stelt vragen bij beleid. Wetenschappelijke onderbouwing wordt dan ook meegenomen. Maar de ervaring van collega’s speelt ook een belangrijke rol. Zij vertrouwen misschien meer op hun gevoel. Ikzelf bekijk het (nu nog) meer objectief, misschien. Als beginnend verloskundige moet ik zelf ook nog veel leren.”


Joske: “Wij gaan wat meer om de protocollen heen. Lieke houdt zich wat meer aan regelgeving en haalt wat vaker artikelen aan of is wat kritischer op dingen. Ik vind het heel interessant, maar we doen er eigenlijk weinig mee. Maar ik ben wel wat getriggerd er over na te denken. Het werkt verfrissend.”


Marijke: “Ik ervaar dat de pas afgestudeerden eerder wetenschappelijke onderbouwing zoeken bij beleid. Maar ik vind wel dat dit niet ten koste moet gaan van de praktische vaardigheden. Dat laatste wordt wel eens onderschat. Niet alle verloskundigen zouden per se zo wetenschappelijk opgeleid hoeven te zijn.”

“Ik merk wel dat ik soms dingen heb meegenomen uit de opleiding die anders zijn dan hoe het in de praktijk is. Met collega’s kunnen we dit goed bespreken als ik dat inbreng.”